Jacob Hendrik Littel (1824-1895)

Generatie IX

Jacob Hendrik Littel; geboren Schoonhoven 12-10-1824, overleden ‘s-Gravenhage 21-11-1895, zoon van Willem Littel en Elisabeth Poederbach.

Jacob is getrouwd (1) Rotterdam 29-06-1859 met Grietje Krijger; geboren ‘s-Gravenzande 27-01-1836, overleden Schoonhoven (Tol A 5) 05-02-1873, begraven Schoonhoven, dochter van Abraham Krijger (1809-1887) en Wilhelmina (Mina) Boon (1811-1882).

Jacob is getrouwd (2) Schoonhoven 26-11-1873 met Trijntje Sijbes Visser; geboren Scherpenzeel 26-06-1826, overleden Waddinxveen 21-01-1915, dochter van Sijbe Idzes Visser en Attje Jans Sloterdijk. Trijntje was strohoedenmaakster in Delfstrahuizen (1848). Trijntje is getrouwd (1) Weststellingwerf 22-09-1848 met Kornelis Lefferts Veenstra; geboren Lutjegast 01-06-1825, overleden 02-10-1857, zoon van Leffert Halbes Veenstra en Geertje Kornelis Bakker.

Jacob werd geboren in huis 243. Hij werd metselaar, stukadoor en aannemer te Schoonhoven. Hij was onder andere betrokken bij de bouw van het Gereformeerde Weeshuis (1863), een verbouwing van de synagoge (1868) en de bouw van een bierbrouwerij (1872).

Jacob was enige tijd waagmeester (vermeld 1852, 1855) in de stad. Uit de gemeenteraadshandelingen van 15 juli 1852: “Burgem. en Weth. doen verslag omtrent de verpachting der waag en het benedenste gedeelte van het arsenaal en stellen den Raad voor de goedkeuring daarop te verleenen. En is met algemeene stemmen besloten den heer J.H. Littel als pachter, en de Heeren W. Littel en H. van den Dool als borgen goed te keuren.” Hij was ook tegenschatter voor de personele belasting in Schoonhoven (1876-1877, 1878-1879, 1880-1881). Hij was lid van de Chr. Afgescheidenen in Schoonhoven, waarvan hij wordt vermeld als scriba (1876) en kerkenraadslid (1877, 1878).

In april 1882 verhuisde het gezin naar Wolvega, al in juni trokken ze echter verder naar Den Haag. Jacob werkte als stukadoor in Den Haag en was er lid van de kerkenraad van de Chr. Gereformeerde gemeente. Na zijn overlijden werd in ‘De Wekker’ van 29 november 1895 door ds. Js. Wisse Czn, predikant in de Nobelstraatkerk, een in memoriam gepubliceerd: “Reeds van af het noodlottig besluit der Synode van 1892 schaarde onze overleden broeder zich aan de zijde van hen, die, trouw aan het beginsel van 1834, wars van eene kunstmatige, politieke vereeniging, koste wat het koste, wenschten te zijn en te blijven Christelijk Gereformeerd. Wegens zijne trouw aan dit beginsel en zijn onbeschroomd belijden en getuigen, heeft hij van toen af in den smaad en in de verachting zijner broederen gedeeld, zonder eenige bitterheid tegenover andersdenkenden te openbaren.
Stil en eenvoudig in den omgang, zachtmoedig van aard, was broeder Littel helder van oordeel, en een man van een vaste overtuiging. Hij had veel van de gave, om ook de kwaden te kunnen verdragen. Onder zijne medebroeders in den kerkeraad was bij een man des vredes, zonder echter ooit vrede te verlangen ten koste van waarheid en recht. Algemeen geacht en bemind in de gemeente, diende hij den Heere als ouderling der gemeente met ijver en trouw, naar de mate der gaven, hem geschonken.
Mede afgevaardigd naar de synode te Utrecht in 1894 reisde broeder Littel vandaar naar Meppel, om één zijner kinderen te bezoeken; tijdens die reis werd hij ernstig krank en is sedert dien tijd sukkelend gebleven. Reeds maanden achtereen vóór zijn overlijden kon hij niet meer ter kerk komen, hoezeer zijn hart daar ook menigmaal naar verlangde. In den laatsten tijd namen zijne krachten sterk af. In eene blijmoedige geloofverwachting over zijn eigen zielstoestand, gaf de Heere hem ook in zijne krankheid veel te genieten. Menigeen, die hem in zijne ziekte bezocht, gevoelde zich aan zijn krankbed weldadig aangedaan. Klaagde hij, dan was het over zichzelven, nimmer over den Heere. Twee dagen voor zijn dood bezochten we hem voor het laatst.
Ofschoon uiterst zwak naar het lichaam, was zijn afscheid allerhartelijkst. Bij bijzondere groeten, gaf hij ons zijn laatsten groet mede voor de gemeente, die hij zoo innig lief bad.
Thans is onze broeder op aarde niet meer. Zijn stoffelijk omhulsel rust op de plaats, waar het einde is aller levenden, terwijl zijne ziel, voor eeuwig verlost, juicht voor den troon des Lams. Staande om zijn graf konden we in waarheid getuigen: „Een strijder minder op aarde, maar een overwinnaar meer in den Hemel!” Zalig de dooden, die in den Heere sterven!

Trijntje woonde in 1902/1903 korte tijd in Gouda, daarna weer te Den Haag. Ze overleed echter in Waddinxveen, mogelijk tijdens familiebezoek.

Uit het eerste huwelijk:

  1. Elizabeth Littel; geboren Schoonhoven 25-12-1859, overleden Leiden 27-01-1896. Naaister. Zij baarde op 19-01-1896 een levenloze zoon en overleed zelf kort daarop. Beide vermoedelijk in het ziekenhuis van Leiden, hoewel ze in Den Haag woonde. 
  2. Abraham Littel; geboren Schoonhoven 25-03-1861, overleden aldaar 31-03-1861. 
  3. Abraham Littel; geboren Schoonhoven 11-07-1862, overleden Apeldoorn 26-08-1928.
    Abraham is getrouwd (1) Den Haag 21-05-1890 met Geesje Veenstra; geb. Wolvega 19-01-1863, overleden Den Haag 20-09-1909, dochter van Halbe Lefferts Veenstra en Antje van Heijnsbergen. Geesje was dienstbode.
    Abraham is getrouwd (2) Bloemendaal 06-10-1910 met Maria Cornelia Hessels; geb. Bloemendaal 22-10-1868, overleden Apeldoorn 23-12-1952, dochter van Hermannus Hessels en Wilhelmina Bruinier. 
  4. Willem Littel; geboren Schoonhoven 19-06-1865, overleden aldaar 15-10-1869. 
  5. Wilhelmina Littel; geboren Schoonhoven 31-12-1866, overleden aldaar 24-10-1876. 
  6. Anna Maria Margaretha Littel; geboren Schoonhoven 21-02-1869, overleden Voorburg 05-06-1937. Anna trouwde Den Haag 02-08-1893 met Cornelis Visser; geboren Harlingen 23-08-1863, overleden Voorburg 08-07-1940, zoon van Jan Sijbes Visser en Aafke Bakker. 
  7. Willem Littel; geboren Schoonhoven 26-03-1871, overleden aldaar 13-09-1876. 
  8. Cornelius Eliza Littel; geboren Schoonhoven 24-01-1873, overleden aldaar 12-02-1873.